Home Sport & organisatieGeschiedenis → Geschiedenis van het nationaal mannenteam tot 1980

Geschiede­nis van het nation­aal man­nen­team tot 1980

Door Ton van Esch

Geschiede­nis van het nation­aal man­nen­team tot 1980

Een gewaagde start
Aan ambitie en durf heeft het Nederlandse ijshockeyers nooit ontbroken. Anders is het ook moeilijk te verklaren dat Oranje zich amper vier maanden na de oprichtingsdatum van de NIJB al aan zijn eerste interland waagde. België, in 1913 Europees kampioen maar al enigszins op zijn retour, fungeerde als tegenstander voor de interland die op 5 januari 1935 meer dan duizend toeschouwers naar de baan in de Amsterdamse Linnaeusstraat lokte. Ook het resultaat mocht er zijn: 0-4 voor een team dat voornamelijk bestond uit veldhockeyers en via een spoedcursus door Hans Weinberg was klaargestoomd. De namen van de 10 eerste 'Soldaten van Oranje' mogen hier niet ontbreken: keeper Jan Gerritsen, Fred van der Vlugt, Bob van der Stok, Felix van der Stok, Lou de Kadt, George van de Mandele, J. Krameris, Felix de Jong, Hans Maas en Sjoerd van Marle.
Het fraaie resultaat tegen de Belgen spoorde de prille internationals aan tot een nieuwe overmoedige daad. Op eigen kosten reisde het gezelschap naar Zwitserland om er deel te nemen aan het wereldkampioenschap in Davos. In een heus trainingskamp te Arosa werd de vorm aangescherpt en daags voor het begin van het titeltoernooi meldde Nederland zich als 21ste lid aan bij de LIHG [Ligue Internationale de Hockey sur Glace, later de International Ice Hockey Federation]. Maar succes bleef vooralsnog uit. Niemand had trouwens anders verwacht dan dat Nederland al zijn zes wedstrijden zou verliezen. Maar het gebeurde met ere (de 0-7 tegen Letland viel het ruimst uit) en Nederland hield aan zijn debuut in elk geval de Fair Play Cup over. Een pleister op de wond voor de veertiende en laatste plaats die met België werd gedeeld en voor de vergeefse jacht op het eerste Oranje-doelpunt. Dat zou overigens niet lang op zich laten wachten. In Davos werd met de Duitsers de afspraak gemaakt om op 30 maart 1936 het seizoen af te ronden met een interland in Amsterdam. In dat treffen bracht Huib du Pon in de laatste periode, het eerste doelpunt van de Nederlandse ijshockeyploeg ter wereld. Deze historische daad kon de nederlaag (1-4) evenwel niet voorkomen. Dat uitgerekend Du Pon de roos trof, was nauwelijks een verrassing. De Hagenaar had immers als hockeyinternational al een naam als goaliedief met veertien voltreffers in evenzoveel wedstrijden.
De eerste overwinning van Nederland liet bijna twee jaar langer op zich wachten. En opnieuw was Amsterdam er getuige van, toen op 17 februari 1937 de elfde interland Nederland, ten koste van België, met 3-0 de eerste victorie bracht. Over historische landenwedstrijden gesproken. Den Haag kreeg op 11 maart 1938 de Oranje-ploeg voor het eerst op de Hokij te zien en wel tegen Roemenië (1-4). Weer twee jaar later (op 17 maart 1940) was Tilburg voor het eerst aan de beurt. Het 'kreeg' Nederland-België en zag zijn favorieten dankzij een sterke laatste periode met 4-3 (0-1, 1-2 en 3-0) zelfs winnen. Wellicht om wat extra publiek te lokken, mocht Tilburger Joop van Rijswijk, de latere bondsdirecteur, in dat duel debuteren. Het werd echter meteen ook zijn laatste optreden in Oranje. In de archieven van H.H. & IJ.C., de hofleverancier en niet erg ingenomen met de uitverkiezing van Tilburg, werd deze interland - de laatste voor het uitbreken van de oorlog - genegeerd.
Van het naderend onheil kreeg de Nederlandse ploeg een voorproefje toen zij in 1939 voor de tweede maal deelnam aan het wereldkampioenschap. Bazel was het strijdtoneel en Duitsland meldde zich achter de vlag met het hakenkruis. De toen al gehate Nazi's werden bij elk optreden weggefloten door het publiek. Het kampioenschap leverde Nederland een eerste kennismaking op met het Canadese ijshockey. De Trail Smoke Eaters verdedigden de Canadese eer en wonnen met bescheiden cijfers: 8-0. Het thuisfront werd door de radio van de tussenstanden op de hoogte gehouden. Polen zette keeper Jan Gerritsen nog een keer meer (0-9) voor het blok, maar de confrontatie met Finland bracht met 2-1 Nederland diens eerste overwinning bij een wereldkampioenschap. Ook in de laatste wedstrijd, tegen Italië, hield Oranje lang zicht op een nieuw succes. Vier minuten voor tijd was de stand nog altijd 0-0. De 10.000 toeschouwers, reeds in afwachting van Zwitserland-Duitsland, werden ongeduldig en schreeuwden om een goal. Met drie voltreffers in de laatste vier minuten werden zij op hun wenken bediend. Maar Nederland verloor wel met 1-2.
Nederland speelde in de vooroorlogse periode 23 wedstrijden, waarvan het er 5 won en de rest verloor; met als deelcijfers 23-92. Van de 35 spelers die werden ingezet, trad alleen Felix de Jong in alle 23 interlands op. Maar er waren meer 'grote namen'. Doelman Jan Gerritsen was de publiekslieveling maar ook diens broer Hans Gerritsen en - later - Piet van Heeswijk, het Haagse kanon, maakten furore. Even onvergetelijk is Jan Suurbeek, een ware duivelskunstenaar. Suurbeek is dan misschien een van de kleinste internationals uit de geschiedenis, hij was wel een van de dapperste en de man met de grootste staat van dienst. Hij was lange tijd, als lid van de technische commissie, nadrukkelijk actief binnen de NIJB.

De Haagse school

De draad werd na de oorlog op 31 maart 1948 weer opgevat met een interland tegen, hoe kan het anders, België: 1-6. De Derby der Lage Landen zou nog jaren de kalender sieren. Bij meer dan de helft (23) van de eerste 45 interlands fungeerde België als tegenpartij. Dat beide landen elkaar zo gemakkelijk vonden, lag voor de hand; de reiskosten waren laag en het krachtsverschil gering. Alleen twee thuiswedstrijden tegen Frankrijk en Italië zorgden in de volgende vier jaren voor enige afwisseling op het menu. Ondanks die wat eenzijdige kost, voelde Nederland zich in 1950 weer mans genoeg om zich op het wereldkampioenschap te vertonen. Londen was trouwens dichtbij en voor de kosten hoefde men het dus niet te laten. Maar de oorlog had zijn slachtoffers geëist. Slechts 9 landen schreven in voor het evenement, in zijn poule kreeg Oranje flinke klappen van Zweden (0-10) en de Verenigde Staten (1-17), maar het vond in de verliezersronde troost bij een zege op Frankrijk (4-2) en eervol verlies met dezelfde cijfers tegen België.
Met het sluiten van de ijsbaan in Amsterdam en Tilburg werd de korte naoorlogse bloeiperiode in 1851 alweer afgesloten. Voor de nationale ploeg gebeurde dat met het wereldkampioenschap in Parijs, waar de deelnemende landen voor het eerst naar kwaliteit waren ondergebracht in Groep A of B. In de laatste categorie bleek Nederland op zijn plaats. Dankzij overwinningen op België (4-3), Oostenrijk (2-1) en Joegoslavië (5-2) legde het beslag op de derde plaats en liet drie landen achter zich. In datzelfde jaar ging Nederland tijdens een interland in Tilburg tegen Noorwegen (7-5) in de fout door 'per abuis' de Canadees Carry op te stellen. Zo'n vergissing zou zich later nog enkele malen herhalen want zowel John MacDonald als Henri van Drunen speelden ieder tweemaal voor Nederland voordat bleek dat zij, nog Canadees, de verkeerde kleuren verdedigden. MacDonald zou overigens later, na zijn naturalisatie, nog een gewaardeerd international worden. Met H.H. & IJ.C. nog als enige fakkeldrager lag voor de volgende 10 tot 12 jaren meteen ook Oranje's eer in Haagse handen. De Hagenaars wisselden eenvoudig het eigen shirt voor het Oranje hemd en er stond een Nederlands team op het ijs. Maar wel een met een Amsterdams accent daar in Amsterdam dakloos geworden spelers als Joost van Os, Dolf Overakker, Dummy Smit en Jan Herreur zich bij H.H.IJ.C. lieten inlijven. Nederland stak zijn neus niet zo vaak meer buiten de deur. Het speelde bijna geen 'losse' interlands maar nam alleen zesmaal deel aan het wereldkampioenschap. Alleen tussen 1956 en 1961 gaapt er, vanwege de liquidatie van H.H.IJ.C., ook in Oranje's geschiedenis een gat.
Dat Haagse Oranje trad in 1952 in Luik voor het eerst voor het voetlicht. Het reisverslag van Bob Ernst, coach en teamleider maar ook vijfmaal scheidsrechter, verhaalt van veel blessureleed maar tegelijk 'van een uitstekend kameraadschap, zowel op als buiten het ijs.' Een gezamenlijke lunch van alle deelnemers vormde het hoogtepunt terwijl de spelers (met hun dames) werden ontvangen op het stadhuis. Omdat je nooit plezier genoeg kunt hebben, organiseerde de ploeg daarnaast voor zichzelf nog een picknick (met de dames) in de Ardennen.
Een belevenis was zeker ook het wereldkampioenschap dat in 1962 Oranje naar Colorado Springs lokte. De reis naar Amerika werd gemaakt per vliegtuig in het gezelschap van andere Europese ploegen. En wie komen de Hagenaars hoog boven de Oceaan tegen? Inderdaad, Pete Laliberté en Dell St. John, twee Canadezen die enkele jaren daarvoor bij IJ.H.C. Den Haag furore maakten. Laliberté is dan al 'in rust' als coach van Frankrijk. Dell St. John zullen de Nederlanders echter ook op het ijs ontmoeten want hij is intussen Oostenrijker geworden. Als Herr Dell Sankt Johann zal hij Oostenrijk met 13-1 langs Nederland loodsen.
Het kampioenschap diende eigenlijk ter meerdere eer en glorie van het majestueuze Broadmoor Hotel, dat voor een groot gedeelte voor de kosten opdraaide en over een eigen ijsbaan beschikte. Het was even wennen aan de ijle lucht in het 1800 meter hoog gelegen Colorado Springs, maar Nederland begon desondanks verrassend sterk met overwinningen op Australië (de enige interland die beide landen ooit tegen elkaar speelden werd met 6-4 gewonnen door Nederland) en op Denemarken (9-4). De Denver Post maakte meteen grote ophef over 'goalcrazy' Dummy Smit en bracht zelfs een kleurenfoto van Nederland. Ondanks sterk verweer van Meg de Jong, de rots in de branding, alsmede van de junioren Wil van Dommelen en Wil Ooms, werd daarna driemaal verloren. De 2-20 tegen Japan is zelfs de grootste nederlaag uit de geschiedenis van het Nederlandse ijshockey. Vijf jaar later zou in Wenen (WK groep C) uitgerekend Japan Nederland nog een keer met die cijfers vernederen.
Met het wereldkampioenschap In Stockholm (groep C) werd in 1963 de periode van de 'Haagse School' definitief afgesloten. Stockholm werd daarmee ook het eindpunt voor de glanzende carrières van Joost van Os (33 caps), Dolf Overakker (35), Dummy Smit (32) en Meg de Jong (20).

Een nieuw begin

Dat Nederland na de wedergeboorte van zijn ijshockey ook internationaal weer bij af moest beginnen lag voor de hand. Wenen was het eerste reisdoel van Nederland toen dat in 1967 zijn entree maakte in Groep C. Vanaf 15 maart 1963 had het slechts zeven interlands gespeeld toen Nederland in de Oostenrijkse hoofdstad schuchter het ijs opstapte voor zijn vuurdoop tegen Bulgarije: 3-10. Maar er was ook een succes. Denemarken werd met 9-6 gepakt. Het eindresultaat bleef niettemin onveranderd: Nederland bleef vijfde en laatste en bungelde als nummer 21 helemaal onder aan de internationale ranglijst. Dat was nog een trapje lager dan toen Nederland in 1963 te Stockholm - voorlopig - afscheid nam van de grote toernooivelden.
De gaande en komende ploegen leken overigens nog als twee druppels water op elkaar. De harde Haagse kern van Stockholm vormde ook In Wenen het frame voor de ploeg. Aria Klein, Leo van Dijk, Rudi Bakker, Wil van Dommelen, Wil Ooms, Joop Manuel, Fred de Wit: ze waren er allemaal weer bij. Oranje en HIJS-Hoky waren nog steeds synoniem. De Haagse club leverde 12 van de 15 internationals. De vreemde eenden In de Hofvijver waren de Tilburgers Joe Simons en Hans Christiaans alsmede Tonny de Groot van Den Bosch. Zij waren de voortrekkers van een Brabantse invasie in de nationale ploeg, die drie jaren later in Gelati (WK groep C) naast 6 Hagenaars zou bestaan uit 10 spelers van Tilburg Trappers en Den Bosch. Tot de grote afwezigen behoorde Arie Klein, een van de Grand Old Men van het vaderlandse ijshockey. Een jaar daarvoor had Klein in Skopje zijn laatste interland gespeeld. 19 jaar na zijn debuut in januari 1950 te Antwerpen. De schier onverwoestbare Arie Klein had in vadertje tijd zijn meester gevonden. Met Klein verdween een sportman van allure, maar vooral een speler de het begrip genoot en er zich op kon beroemen dat zelfs in Tilburg zijn naam werd gescandeerd. Liefst 64 interlands stonden achter de naam van Arie Klein toen hij ruimte maakte voor de jeugd.
Vanaf 1967 (Wenen) heeft Nederland geen enkel jaar meer op een wereldkampioenschap ontbroken. Na twee avonturen in uithoeken van Europa (Skopje '69 en Galati '70) was Nederland in 1971 rijp voor de organisatie van het C-kampioenschap in eigen land. Met Eindhoven als centrale post en wedstrijden in diverse steden, doorstond de organisatie de toets der kritiek met glans. Zij zou dan ook model staan voor een herhaling in 1973. Sportief gezien ging het karwei Oranje met een voorlaatste plaats minder goed af. Er werd weliswaar begonnen met winst op Denemarken (3-1 in Tilburg) en er volgde een toen al vanzelfsprekende 'walk over' tegen België (18-0 in Eindhoven) maar het boterde niet echt in de ploeg. Coach Jiri Pleticha had met Gerry Gobel, Rob Hagendoorn, Jos Bles, Rudi Koekkoek, Jack WijIemans, Mario van Veghel e.a. dan wel voor nieuw bloed gezorgd, hij verloor gaandeweg zijn greep op de ploeg. Aan de vooravond van de laatste speeldag dreigde zelfs een complete spelersstaking. Die werd met een bliksembezoek van voorzitter Schweers aan het spelershotel in Oisterwijk en een donderspeech van LlHG-president J.F. Ahaerne in de spelersbus, nog wel de kop ingedrukt maar de 2-9 tegen Frankrijk onderstreepte alleen maar dat Nederland een mislukt toernooi afsloot.
Twee jaar later, met Den Haag als middelpunt van de andermaal vlekkeloze organisatie, bleek de Nederlandse ploeg heel wat beter bestand tegen de belangstelling en de extra druk die het thuisspelen met zich brengt. Maar er was dan ook wel het een en ander veranderd. De aflossing van de wacht was niet beperkt gebleven tot Pleticha die de Canadees Wayne Hunter als opvolger kreeg. Ook de selectie kreeg een face-lift, Een nieuwe lichting Nederlandse Canadezen eiste zijn plaats op. Hadden een jaar daarvoor Jack de Heer en Ron Krikke zich al bij Gerry Gobel en Mario van Veghel gevoegd, Hunter zette in 1973 zijn team volledig op een Canadese leest. De helft van de 20 internationals had een Canadees ijshockeyverleden. Onder de nieuwelingen bevond zich niet alleen de sluwe technicus Henri Hunting maar meldden zich ook de mannetjesputters Leo Koopmans, Frank van Soldt en Paul Burger en het dynamische duo Corky de Graauw-Larry van Wieren aan het front.
Wayne Hunter had daarmee de winnende formule, de combinatie van kwaliteit en strijdbaarheid, gevonden; een vondst waarvan Nederland nog jaren met wisselend succes gebruik zou maken. Uitgerekend in de gaststad Den Haag leed Nederland zijn enige nederlagen: in de openingswedstrijd met 2-4 tegen Frankrijk en op de slotdag met 3-6 tegen toernooiwinnaar Noorwegen, De overige vijf duels werden gewonnen, waaronder voor het eerst in de geschiedenis tegen Hongarije (5-3) en Groot-Brittannië (13-3) en een knappe 7-0 overwinning op de vriendelijke maar afstandelijke Chinezen, die in het hotel hun kamers zelfs voor de kamermeisjes tot verboden gebied verklaarden. Noorwegen werd kampioen maar Nederland volgde, dankzij de tweede plaats, de Scandinaviërs naar de B-groep.

Geslaagd debuut

Ondanks een te verwaarlozen voorbereiding maakte Nederland een indrukwekkende entree in 'hoger sferen' (Ljubljana 1974). Alleen al het feit dat Nederland zich wist te handhaven was een eclatant succes voor coach Bob Jastremski en diens manschappen. Die waren voornamelijk gerekruteerd uit Tilburg Trappers dat 9 Oranje-klanten leverde. Dat garandeerde in elk geval enige homogeniteit en evenwicht. Na een vliegende start tegen Roemenië (7-5) nam Nederland met liefst 7-0 tegen Noorwegen revanche voor het feit dat de Noren een jaar eerder Nederland de toernooi-zege hadden afgepikt. Na twee dagen 'Holland Festival' was het echter met het winnen gedaan. De nederlagen waren weliswaar eervol maar het bleven nederlagen. Een draw (3-3) tegen Oostenrijk, te danken aan de gelijkmaker van Leo Koopmans 200 seconden voor het einde, leverde het vijfde punt én de vijfde plaats op. En tegelijk internationale erkenning want achter Zweden, Finland en West-Duitsland was Nederland op slag de vierde ijshockeynatie van West-Europa. Een buitenbeentje in het team was Eindhovense Theo Habraken, tevens rolhockey-international en twee weken na Ljubljana als rolhockeyprof actief in Italië. De vedette van het team was evenwel doelman Gerry Gobel die voor de tweede maal werd uitgeroepen tot de beste doelman van het wereldkampioenschap. Twee jaar eerder viel hem in Mercurea Ciuc die eer ook al te beurt. Dick Decloe tenslotte bevestigde zijn faam als goalgetter: hij kwam met 14 punten (10-4) maar één puntje te kort voor de eerste plaats op de topscorerslijst.
Drie jaar zou Nederland zich daarna nog handhaven in de B-groep. Maar het boette in aan overtuiging en kwaliteit. 1975 (Sapporo) werd een regelrecht rampjaar. Ondanks de entree van de Limburgse Tsjechen Anton en Vosatko en ondanks de komst van Henri Hunting, die speciaal voor deze gelegenheid uit Canada kwam overvliegen, eindigde Nederland met een door tweedracht gespleten ploeg als laatste. Dat degradatie werd ontlopen was enkel en alleen te danken aan de omstandigheid dat een jaar later de A-groep werd uitgebreid van 6 naar 8 landen. Met een zesde plaats in 1976 (Biel/Aarau), op de valreep bevochten via overwinningen op Bulgariie (5-2) en Italië (9-3), rehabiliteerde Nederland zich een jaar later voor de Japanse miskleun. Wat jullie kunnen met Nederlandse Canadezen, kunnen wij ook, mopperden echter de gedegradeerde Italianen. Vanaf dat jaar putte ook Italië, naar goed Nederlands voorbeeld, rijkelijk en met succes uit het Noord-Amerikaanse reservoir.

Het verraad van Tokio

Voor alle betrokkenen zal het 'Verraad van Tokio' voor altijd in het geheugen gegrift blijven. Nederland degradeerde in Tokio uit de B-groep als gevolg van een smerige combine tussen de Oost-Europese broeders Polen en Joegoslavië. Het reeds uitgespeelde Nederland keek vanaf de tribune in machteloze woede toe hoe het veel sterkere Polen met 4-6 de punten weggaf aan Joegoslavië. Met enkele opzichtige blunders maakte Polen de weg vrij voor Joegoslavië, dat dankzij die geschonken winstpunten over Nederland naar de bevrijdende zevende plaats wipte. Het ronduit schitterende kampioenschap, gehouden in het magnifieke. Olympische zwembad van Tokio, eindigde daarmee in een ophefmakend schandaal. Hal Laycoe, de Canadese coach van Nederland was des duivels: 'Dit is meteen mijn laatste jaar in Europa. Dit is verraad aan de sport. Daar kan ik niet tegen.' En daarmee kondigde hij meteen zijn terugkeer naar Canada aan. Rudi Killias, de coach van Zwitserland, dat 's morgens Nederland in een open strijd met 3-2 had geklopt, verklaarde: 'Een schande. Wij hebben het eerlijk gespeeld, maar nu knaagt mijn geweten.'
De afkeer van de combine was algemeen en met angst en beven zagen de Japanners uit naar het feestelijk slotbanket dat enkele uren later zou plaatsvinden. Tot overmaat van ramp zat Nederland daarbij pal naast de Polen, die onder ijzige stilte als laatsten de zaal binnenschuifelden. Die welsprekende stilte zou hen ook begeleiden bij het afhalen van de prijzen. Zelfs van LIHG-president Sabetzki, die demonstratief de handen in de zakken hield, kon er geen applausje af. De vrees dat woedende Nederlanders de Polen naar de keel zouden vliegen, bleek voorbarig. Zoals zij zich ook voorbeeldig gedroegen tijdens de 32 uur durende thuisreis waarbij Nederland onder andere het vliegtuig met Polen deelde. Het Poolse verraad kostte overigens wel de gevleugelde aanvaller Kokoska een aantrekkelijk profcontract in Zwitserland. De Nederlander Dummy Smit, toen nog trainer in Zug, had een blanco contract op zak om de Poolse sterspeler aan de haak te kunnen slaan. 'Zulke mensen wil ik niet in mijn team', vond Smit en verscheurde de papieren.
Gelijke spelen tegen Joegoslavië (5-5) en Noorwegen (4-4) leverden Nederland, dat ook nog won van Oostenrijk (4-3) vier punten op. Niet genoeg om de achtste en voorlaatste plaats te ontlopen nu Joegoslavië op de valreep zijn oogst tot vijf punten mocht opvoeren. De degradatie betekende een bitter afscheid voor de oudere en vooraf integere spelers. Voor John MacDonald, Huub van Dun, Huub Sciarone, Jan Joosten en Hans Christiaans viel in Tokio het doek. Vooral in Hans Christiaans verloor Oranje een monument. De Tilburgse verdediger bleef met 97 interlands vlak voor zijn 'century' steken. Die keus was echter geen vrijwillige. Christiaans wilde zelf nog verder. De volgende bondscoach, Hans Westberg, zou echter van zijn diensten geen gebruik meer maken.

Een warm kampioenschap

IJshockey op de Canarische Eilanden. Dat bestaat niet, zullen negen van de tien mensen roepen. Maar het kan wel degelijk. Op een uurtje vliegen van de evenaar werd in maart 1978 in Las Palmas het wereldkampioenschap voor de C-groep gehouden. Een ongerijmdheid die Nederland er niet van weerhield om met overmacht voor het eerst in de geschiedenis kampioen te worden. Een snellere en betere revanche voor Tokio was niet denkbaar. De nieuwe bondscoach, de Zweed Hans Westberg, slaagde aldoende met glans voor zijn examen. Erg moeilijk was die opgave niet. Nederland bleek het niveau van de 'kleine landen' duidelijk ontgroeid. Toen het bovendien bij aankomst hoorde dat niet één maar twee landen zouden promoveren, stond de terugkeer naar de B-groep bij voorbaat vast, Nederland wilde echter goud en bereikte ongeslagen zijn doel. Alleen Denemarken mocht zich op de borst slaan: het hield de kampioen op 3-3. Alle andere tegenstanders werden omver gekegeld. Over de rug van Spanje vestigde Nederland op Gran Canaria bovendien een nieuw productierecord: 19-0. Tot op dat moment stond de 18-0 zege op België (WK 1973) als recordscore te boek. Dit keer dienden de Belgen met 18-3 als 'kanonnenvoer' voor de Nederlandse schutters, waarvan Jack de Heer meewarig constateerde: 'Het zijn meer schiet- dan ijshockeywedstrijden.' Dat weerhield hem er overigens niet van om met grote overgave te dingen naar de topscorersprijs, die met 32 punten (14-18) dan ook zijn deel werd. Jan Jansen volgde als tweede op vijf punten. Zelfs het examenstuk, de 'finale' tegen de grootste rivaal Oostenrijk, bleek kinderspel voor Oranje. De beste van de klas leidde na de eerste periode al met 5-1 en dreef onbedreigd uit naar een zege met 8-4.
Met dat al bleef het kampioenschap een curieuze expeditie. De opzet was de toeristen wat koele afleiding te bezorgen maar die hadden meer aandacht voor elkaars bruine vel dan voor hetgeen zich afspeelde in het Palacio Hielo, een zwierig Spaans understatement voor een eenvoudig ijshalletje. Op boterzacht ijs ploegden de deelnemers zich door hun wedstrijden. Maar niemand klaagde, al was het maar uit consideratie met toernooidirecteur John Reingold, een Amerikaan die het bedaarde Spaanse leven verkoos boven het jachtige bestaan in de States. Reingold, die eigenhandig Las Palmas volplakte met 2.000 affiches, trad niet alleen op als organisator maar ook als journalist en trainer van de Spaanse ploeg; soms beklom hij zelfs de dweilwagen. De LIHG betaalde bovendien alles. En dat moet aardig zijn opgelopen met een dagelijks bezoekersaantal dat rond de 300 schommelde.

Goud in Galati

Waaruit bestaat toch het geheim van Hans Westberg? Die vraag heeft velen jaren aan het denken gehouden. Het antwoord is immers de sleutel tot het succes. Want het was.toch maar die sfinxachtige Zweed, die Nederland in 1978 in Las Palmas naar het kampioenschap in de C-groep leidde. En een jaar later nam Nederland volgens de methode-Westberg in Galati eveneens alle hindernissen die het tegenkwam op weg naar de titel in de B-groep. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, haalde Oranje in de 'finale' tegen het onverslaanbaar geachte Oost-Duitsland een streep door een hopeloze achterstand van 0-3 om met 4-3 (0-2, 1-1 en 3-0) te finishen. Dat tegelijk de promotie naar de A-groep werd gerealiseerd was een even pikante als verstrekkende consequentie. Het succes bracht niet alleen de Nederlandse ploeg en aanhang tot uitzinnige vreugde. Aan de vijfduizend Roemenen op de tribunes had Nederland eveneens dankbare supporters, die het 'Olanda' bleven scanderen op het ritme van de mazurka's die Jack de Heer en zijn ploegmakkers, dronken van vreugde, op de ijspiste dansten. Twee dagen later zou het feest op Schiphol worden herhaald. Duizenden 'nuchtere' Nederlanders, in een week tijd veranderd in fervente ijshockeyfans waren op de nationale luchthaven aanwezig voor een uitbundige begroeting.
Klaas van den Broek analyseerde de invloed van de coach heel treffend. 'Zelfvertrouwen' heette het toverwoord. 'Westberg laat je in jezelf geloven. Hij geeft zelfvertrouwen en dat is een machtig wapen. Hij praat nooit over tegenstanders maar alleen over de eigen ploeg. Hamert er steeds weer op dat we ze allemaal kunnen verslaan. Op den duur ga je het nog geloven ook,' meende Van den Broek.
Hans Westberg was geen prater, kwam stuurs over en verwaarloosde zijn ‘public relations’. Maar hij was wel een vakman. Hij dwong bij de spelers respect af en leerde hen zelf verantwoordelijkheid dragen. Hij liet hen ook meedenken door spelers bijvoorbeeld zelf te laten beslissen hoe er getraind zou worden en dacht er niet aan om 's avonds aan slaapkamerdeuren te luisteren of iedereen inderdaad sliep. In combinatie met de uit Canada geïmporteerde 'fighting spirit' maakte het onverwoestbare zelfvertrouwen van Nederland een niet te kloppen formatie. Voor de stijlprijs gooiden andere ploegen hogere ogen maar met het draaien van de mooiste pirouettes win je nu eenmaal geen ijshockeytitel. 'Dit team is iets bijzonders,' raakte de anders zo nuchtere George Peternousek er niet over uitgepraat, 'iedereen blijft werken tot hij echt niet meer kan. Maakt iemand een fout dan staat er achter hem een ander klaar om hem op te vangen. En daarachter weer een. En tenslotte een keeper zoals geen enkel team er een heeft.'
Bondsvoorzitter Schweers kreeg echter al snel een 'angstig' voorgevoel, De zege op Japan (6-5) was al een voorteken dat Nederland de zaak wel eens op zijn kop kon zetten. Nadat in de poule ook Zwitserland (5-3), Noorwegen (8-1) en China (10-0) aan de kant waren geschoven en Nederland zich daarmee had geplaatst voor de Olympische Winterspelen van 1980, probeerde Schweers de rem aan te trekken: 'Ik hoop niet dat we promoveren. Daar is het Nederlandse ijshockey echt nog niet rijp voor.' Schweers' bede was aan dovemansoren gericht. Nederland was 'in the mood', gooide in de finale-poule eerst gastheer Roemenië met 3-2 uit de race en haalde tenslotte het bolwerk DDR neer. Twee voltreffers van Jack de Heer in de derde periode brachten Nederland niet alleen het kampioenschap maar maakten ook van De Heer met 17 punten (9+8) op de valreep de topscorer van het toernooi. De Heer's naam verscheen bovendien in het All Star Team, evenals die van keeper Gerry Gobel, die voor de derde maal in zijn loopbaan werd gekroond tot de beste doelman van het wereldkampioenschap: al volgde zijn teamgenoot John de Bruyn hem op de voet.
Maar het kampioenschap in Galati was meer dan het succes van Westberg, Gobel en De Heer. Het was ook het succes van aanvoerder Larry van Wieren en Corky de Graauw, de aanjagers en provocateurs uit de ploeg die met kleine pesterijen elke tegenstander tot razernij konden brengen. En niet in de laatste plaats was Galati het succes van de stijlvolle bouwer George Peternousek, de verdedigers van graniet Van Gog en Pluymers en van de vedette Dick Decloe die zijn faam volledig ondergeschikt maakte aan de ploeg. Da kampioensploeg werd aan het einde van het jaar door de Nederlandse sportpers uitgeroepen tot 'Sportploeg van het Jaar'. De namen van de 20 spelers die in Galati een Nederlands ijshockeymonument oprichtten mogen hier dan ook niet ontbreken: Gerry Gobel, John de Bruyn, George Peternousek, Frank van Soldt, Henk Hille, Guus Bakker, Rick van Gog, Al Pluymers, Jack de Heer, Larry van Wleren, Jan Jansen, Brian de Bruyn, Chuck Huizinga, Harrie van Heumen, Ron Berteling, Dick Decloe, Johan Toren, Klaas van den Broek, Corky de Graauw en William Klooster.

Ton van Esch, 1984

Verantwoording

Bovenstaande is een fragment uit het hoofdstuk ’50 jaar NIJB - 292 interlands’ uit het Jubileumboek 50 jaar NIJB dat is gepubliceerd in 1984 en uitgegeven door Veko Verkaart, Amsterdam. Auteur is de Brabantse sportjournalist Ton van Esch. Hij staat niet op de kaft of het titelblad vermeld, maar wordt wel genoemd in het voorwoord van de toenmalige NIJB-voorzitter Fred Schweers. Bij het schrijven van ’50 jaar NIJB - 292 interlands’ heeft Van Esch gebruik gemaakt van door Jacques Herijgers verzameld historisch materiaal (en van de daarop gebaseerde statistieken). Het deel van het hoofdstuk dat de periode na 1979 behandelt, is hier weggelaten. Ook in het hier gepubliceerde fragment is een (klein) aantal korte passages weggelaten en op een enkel punt is de tekst aangepast. Van Esch heeft toestemming verleend voor publicatie van dit fragment op nijb.nl.

Zoetermeer, 2005

Laatst gewijzigd op 4 april 2021 om 13:54