Arti­kel 10: Rei­zen buitenland

1. Een lid van het Bondsbestuur dat het voornemen heeft ten behoeve van de Bond een buitenlandse reis te maken, heeft daarvoor - voor zover de buitenlandse reis niet voortvloeit uit het vastgestelde schema van internationale representaties - voorafgaande toestemming nodig van het Bondsbestuur.

2. Een lid van het Bondsbestuur dat het voornemen van een reis als bedoeld in het voorgaande lid meldt, verschaft informatie over het doel van de reis, de bijbehorende overwegingen, de samenstelling van het gezelschap en de geraamde kosten aan het Bondsbestuur.

3. Uitnodigingen voor reizen en werkbezoeken op kosten van derden worden altijd besproken in het Bondsbestuur en onder meer getoetst op het risico van belangenverstrengeling. Het belang van de reis voor de Bond is doorslaggevend voor de besluitvorming.

4. Van de reis wordt verslag gedaan aan het Bondsbestuur.

5. Het ten laste van de Bond meereizen van de partner van een lid van het Bondsbestuur is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de Bond daarmee is gediend. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming door het Bondsbestuur betrokken.

6. Het anderszins meereizen van derden op kosten van de Bond is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming door het Bondsbestuur betrokken.

7. Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor privé doeleinden is toegestaan, mits dit is betrokken bij de besluitvorming door het Bondsbestuur. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van het desbetreffende lid van het Bondsbestuur.

8. De in verband met de buitenlandse dienstreis gedane uitgaven en onkosten worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond, overeenkomstig de in artikel 8 van het Reglement genoemde criteria.

Laatst gewijzigd op 17 juni 2024 om 07:02